• Foto1
  • Foto10
  • Foto11
  • Foto12
  • Foto13
  • Foto14
  • Foto15
  • Foto16
  • Foto17
  • Foto18
  • Foto2
  • Foto3
  • Foto4
  • Foto5
  • Foto6
  • Foto7
  • Foto8
  • Foto9
 
Beulake was een turfwinnersdorp in het veengebied ten zuidoosten van de stad Vollenhove. Door een combinatie van diepe vervening en twee opeenvolgende stormen in 1775 en 1776 verdween het dorp aan het einde van de 18e eeuw. Het landschap van Beulake ligt nu in een uitgestrekte plas, de Beulakerwijde. Slechts een aantal eilanden herinnert nog aan het verdronken Beulake. Volgens de overleveringen spookt het rond deze eilanden. Zo zou de verdronken kerkklok van Beulake bij onstuimig weer nog over het meer galmen. Ondertussen zijn er veel vragen over de landschappelijke geschiedenis van Beulake. Wanneer ontstond het dorp? Wat was de ruimtelijke opbouw ervan en wat waren de sociaaleconomische omstandigheden in het dorp?  Een landschapshistorisch onderzoek biedt op deze vragen een antwoord.
 
Ontwikkeling verveningslandschap en ontstaan dorp
Tijdens het Holoceen raakte het Land van Vollenhove op enkele pleistocene hoogten na overdekt met een laag veen. Vanaf de middeleeuwen werden deze veengebieden onder leiding van de bisschop van Utrecht ontgonnen voor de landbouw (Mol, 2011). Relatief laat in deze periode bereikten die ontginningen het gebied van Beulake. De weg die als ontginningsas werd gebruikt, kreeg de naam ‘die Bodelaeke’. Deze naam zou ontleed kunnen worden als een samentrekking van de toponiemen ‘bode’ en ‘laek’. Bode zou dan staan voor klein huisje of veehut en laak voor een water dat een afscheiding of grens vormde. Op basis van deze verklaring wordt soms gesteld dat het ontginningsgebied in de 14e eeuw bewoond werd (Kroes & Hol, 1979, p. 30), maar daarover bestaat geenszins zekerheid (Van der Tuin, 1998, p. 49). Bovendien zijn geen resten van middeleeuwse bewoning in het gebied van Beulake aangetroffen en is er geen enkele vermelding van middeleeuwse bewoning in de archieven. Een lijst van grondeigenaren in ‘Boedelake’ uit 1410 bevat aan de andere kant namen die te koppelen zijn aan erven op de keileemhoogte van Vollenhove (Mensema, 1990, pp. 73-76). De ontginning duidt dus eerder op een uitbreiding van het landbouwareaal van de erven op de keileemhoogte dan op een zelfstandige ontginning. Toen de vraag naar brandstof in de eeuwen daarna steeg, werd het winnen van turf ook in het Land van Vollenhove belangrijk. Een centrale figuur was daarbij Jan van Ligne (circa 1525-1568), graaf van Aremberg. Als stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel vervulde Van Ligne een belangrijke politieke en militaire rol in de Noordelijke Nederlanden. Daarnaast legde hij zich toe op het ontginnen en exploiteren van woeste gronden (Derez & Roegiers, 2002, pp. 168, 190). Zo kocht hij stukken grond aan in de veengebieden van het Land van Vollenhove. Omdat het gebied slecht ontsloten was, investeerde hij in de haven van Blokzijl en in goede verbindingen met het achterland. Een van die verbindingen was een waterweg tussen Zwartsluis en het Giethoornse meer: de Arembergergracht. Door de aanleg ervan werd ook het veengebied van Beulake ontsloten. In 1564 werd begonnen met het graven van de gracht, maar de Tachtigjarige Oorlog, die kort daarna aanving, belemmerde de werkzaamheden. Vermoedelijk kon de gracht pas in het begin van de 17e eeuw in gebruik genomen worden voor de grootschalige afvoer van turf (Gerding, 1995, p. 171). Daardoor wordt de ontwikkeling van het turfwinnersdorp Beulake rond het jaar 1600 gedateerd.
 
De Arembergergracht (dikke zwarte lijn) weergegeven op de Topografische Militaire Kaart 1850, nettekeningen. In het zuiden werd direct de haven van Zwartsluis bereikt. In het noorden sloot de gracht aan op de Vaarsloot (stippellijn). Via het Giethoornse Meer en het Zuiderdiep kon uiteindelijk de haven van Blokzijl bereikt worden (bron: Collectie Kadaster, bewerkt door auteur).
 
In 1664 was de bevolking van Beulake voldoende gegroeid om een zelfstandige kerkgemeente met een eigen kerk te worden.<2>
Bronnen, die inzicht kunnen geven in de aard en omvang van vervening in Beulake, zijn slechts beschikbaar voor de 18e eeuw. Een belangrijke bron betreft registers van een belasting die werd geheven over de uitgespreide veenbagger die op de legakkers te drogen lag. Deze belasting werd ingesteld, omdat het land na diepe vervening niets meer opbracht en eigenaren daardoor de grondbelasting niet meer konden opbrengen. Door een halve stuiver per vierkante roede uitgespreide turf te innen, konden de kosten alsnog gedekt worden. De administratie van dit ‘turfroedengeld’ is voor het schoutambt Vollenhove bewaard gebleven voor de jaren 1732-1755 en 1763-1788.<3>  Beulake wordt in deze administratie helaas niet afzonderlijk benoemd, maar het is aannemelijk dat het dorp net als in andere administraties onder het naburige kerspel Leeuwte werd opgenomen. Tegelijkertijd is er een vrij nauwkeurige volkstelling uit 1748 beschikbaar, waarin Beulake wél als afzonderlijk dorp is opgenomen. <4>
Voor inzicht in de vervening is het interessant om na te gaan welke inwoners van Beulake in het turfroedenregister van 1748 werden aangeslagen. Volgens de telling van 1748 woonden in Beulake 64 huisgezinnen. Daarvan werden er 41 opgenomen in het turfroedenregister van de Leeuwte. <5>  Bijna alle genoemden onder de noemer Leeuwte woonden in Beulake. Zij werden aangeslagen voor in totaal 8140 van de 11925 turfroeden in het kerspel. De verveners uit Beulake leverden in 1748 5,35% van het totale aantal gespreide turfroeden in het Land van Vollenhove. Beulake wordt verder niet in het turfroedenregister genoemd, terwijl het landschap zwaar verveend is. Er kan dus met enige voorzichtigheid aangenomen worden dat de ‘Beulakers’ in het turfroedenregister ook daadwerkelijk de gronden in Beulake verveenden.
 
De voormalige kerkplaats van Beulake weergegeven op AHN 2. Ter
hoogte van de aangewezen kerkplaats is een duidelijke verhoging zichtbaar (gebaseerd op Actueel Hoogtebestand Nederland 2 en minuutplan Ambt-Vollenhove D3).
 
Ruimtelijke opbouw van het dorp Beulake
Door archiefstukken, veldnameninventarisaties, historische kaarten en het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) te combineren is het mogelijk om de ruimtelijke opbouw van Beulake globaal te reconstrueren. In archiefstukken worden steeds drie belangrijke gebouwen in Beulake genoemd: de kerk, de wheme (pastorie) en de school. De kerk is uit het landschap verdwenen en de ligging ervan is niet duidelijk vastgesteld. Wel werd het perceel van de voormalige kerkplaats van Beulake aangegeven op het kadastrale minuutplan van het Ambt-Vollenhove (perceel nr. 215). De aangewezen locatie is nog bereikbaar en bevindt zich op de rand van het zuidwestelijke restant van Beulake. Het AHN geeft op deze locatie een verhoging aan. De kerk was het belangrijkste gebouw van het dorp en werd daarom vaak op een kunstmatige verhoging of zandkop gebouwd. In het veld is de verhoging ondanks het kleine hoogteverschil goed waarneembaar.
 
 
De verhoging in het landschap op de door kadaster aangegeven
kerkplaats. Piketpalen markeren de plekken waar hard materiaal werd aangetroffen.
De plekken zijn met elkaar verbonden om de lijnstructuur duidelijk te maken
(foto: A. Lassche, achteraf bewerkt door de auteur).
 
Om meer te weten te komen over de aard van de verhoging werd een kleine proefkuil gegraven aan de noordoostelijke rand. Daarbij werden op 40 centimeter beneden het maaiveld roodbruine bakstenen aangetroffen. <6> Nader onderzoek door A. Lassche van Natuurmonumenten wees uit dat het een gemetselde structuur betreft, gefundeerd op een houten plank en zand met daaronder de veenondergrond. Met een prikstok onderzocht hij de rest van de verhoging op ‘hard materiaal’. De plekken met hard materiaal werden gemarkeerd met een piket. De piketten vormden twee evenwijdige lijnen die van het noordwesten naar het zuidoosten lopen. Aan de voorzijde was de ruimte tussen de lijnen 9,9 meter en aan de achterzijde 8,7 meter. <7> Als de gemarkeerde plekken dezelfde gemetselde structuur als de proefkuil bevatten, dan zou deze kunnen wijzen op de fundering van de kerk van Beulake.
 
Tijdens een sonaronderzoek naar de waterbodem van de Beulakerwijde werden al eerder mogelijke restanten van een gebouw, toen benoemd als de kerk aangetroffen (Van den Brenk & Van Lil, 2016). Het onderzoek werd in 2016 uitgevoerd in opdracht van Natuurmonumenten. Op ongeveer 25 meter afstand van de door het kadaster aangegeven kerkplaats werd een verhoging in de bodem aangetroffen van 6 bij 7 meter. Tussen de verhoging en de oever werd tevens een hoop stenen aangetroffen. Deze stenen zijn vanaf de waterkant duidelijk waarneembaar in het ondiepe water (Van den Brenk & Van Lil, 2016, pp. 30-31). Toch lijkt het niet logisch dat onder deze verhoging de fundamenten van de kerk van Beulake schuilgaan. De verhoging ligt ongeveer 25 meter van de door het kadaster aangegeven locatie, terwijl op de exacte locatie ook een structuur in de ondergrond aanwezig is. Het is echter wel mogelijk dat het gaat om de restanten van de wheme (pastorie) die doorgaans dicht bij de kerk stond en volgens archivalische gegevens een stenen gevel had. Het kadastrale minuutplan van Beulake geeft bovendien een afzonderlijk perceel aan op deze locatie.<8>
Naast de belangrijkste gebouwen kon ook de infrastructuur van het dorp gereconstrueerd worden. De Arembergergracht was het belangrijkste vervoerskanaal in het gebied en kan aan de hand van historische kaarten gereconstrueerd worden. Daarnaast kende het dorp een tweetal wegen waarvan nog restanten in het huidige landschap liggen. De Oude Beulakerweg was een doodlopende weg die getuige de omliggende verkaveling tijdens de middeleeuwen had gediend als ontginningsas. Het gaat dus hoogstwaarschijnlijk om ‘die Bodelaeke’. Ten tijde van het dorp Beulake werd de Oude Beulakerweg voornamelijk gebruikt als geografische aanduiding, bijvoorbeeld als iemand percelen boven en onder de weg bezat. Daarnaast woonden enkele mensen langs het westelijke deel van de weg.
De tweede weg door Beulake was het Beulaker(voet)pad. De ligging van dit pad kan aan de hand van twee historische kaartbeelden en een historische bron gereconstrueerd worden. Het eerste kaartbeeld dateert uit 1646, toen een klein deel van het pad gekarteerd werd bij een landopmeting door Gijsbert Sasse.<9>
 
Uit het kaartbeeld kan worden opgemaakt dat het voetpad loodrecht op de Arembergergracht lag.<10> Verder valt op dat het pad aan de noordkant van de Arembergergracht niet is doorgetekend. Wellicht stopte het pad aan deze zijde van de gracht. Het is echter ook mogelijk dat alleen de delen van het pad werden afgebeeld die noodzakelijk waren voor de
landopmeting. Uit de kaart kan helaas niet worden opgemaakt waar het pad naartoe liep. Het tweede kaartbeeld betreft een kadastraal minuutplan van Beulake.<11> In de karteringsperiode was Beulake al verdwenen, maar er werd nog een klein deel van het ‘Beulakerpad’ op de kaart afgebeeld. Dit stukje pad bestaat nog steeds en wordt beschouwd als het begin van het Beulakervoetpad.
 

De ligging van het begin van het Beulakerpad op de kadastrale kaart
van het schoutambt Vollenhove (Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Ambt Vollenhove, Overijssel, sectie D, blad 04 (MIN04050D04))

 
De historische bron betreft een koopakte van een stuk veenland in de buurt van het pad uit 1702.<12> Een van de koopvoorwaarden betreft het recht op een voetpad naar de Beulaker kerk. Het voetpad zou dan eerst richting de kerk lopen en vervolgens afbuigen richting de Arembergergracht. Een licht buigend verloop is bovendien plausibel omdat het nabijgelegen grondgebied van het schoutambt Wanneperveen dan niet doorkruist hoefde te worden.
In 1740 verzocht de predikant van Beulake om een schouw van het voetpad en de vlonders, omdat de kerk en de school onbereikbaar waren.<13> Een vaste route langs kerk en school kan dus verondersteld worden. Toch werd in 1760 nog een stuk land aangewezen om een nieuw pad te realiseren (Helderman, 1986, p. 118). Het is daarom aannemelijk dat telkens de best begaanbare route naar de kerk en school van Beulake werd gekozen. Een reconstructie van het Beulakerpad is opgenomen in de reconstructiekaart van het dorp Beulake.
Ook bruggen en vlonders moeten vaste elementen zijn geweest in het waterrijke dorpslandschap van Beulake. In historische bronnen worden onder andere de ‘Bolaecks brugge’ en ‘vlonders’ genoemd.<14> In een veldnamenonderzoek uit de tweede helft van de 20e eeuw werd tevens een naam die de aanwezigheid van een brug suggereert gekarteerd.<15> Het gaat om de veldnaam ‘De Draai’ ten oosten van de Arembergergracht. Draaibruggen, ook wel afgekort als ‘draai(j)’ kwamen veel in verveningsgebieden voor om het grote aantal afwateringskanalen en sloten te overbruggen (Van der Sijs, 2015). Het is aannemelijk dat de landen aan weerszijden van de Arembergergracht ook op deze manier werden verbonden.
 
Tot slot kon aan de hand van archiefstukken en veldnamenkaarten een aantal bewoningslocaties in kaart worden gebracht. In algemene zin wordt in historische bronnen gesproken over huizen, tenten en (turf)schuren in Beulake. Slechts af en toe worden specifieke bewoningslocaties genoemd. De locaties, die dan naar voren komen, zijn de Oude Beulakerweg, het Beulakervoetpad en het oosteinde van de Beulake. Verder zijn op historische kaartbeelden enkele tekenen van bewoning te herkennen. Gijsbert Sasse tekende in 1646 een tweetal huizen met begroeiing aan de oostkant van de Arembergergracht. Wellicht doelde hij hiermee op het oosteinde van Beulake. Daarnaast tekende hij een huis aan het Beulakerpad. Op de kaart van Ten Have uit de tweede helft van de 17e eeuw werd tevens een gehucht ingetekend aan de westkant van de Arembergergracht. Het is dus aannemelijk dat ook het westeinde van Beulake werd bewoond. Tot slot zijn tijdens het veldnamenonderzoek van Datema enkele huis- en ‘tentplaatsen’ gekarteerd, alle ten oosten van de Arembergergracht.<16>
In de bronnen komen we twee soorten woningen in Beulake tegen: huizen en tenten. Deze tweedeling heeft te maken met het feit dat turfwinning seizoensgebonden was. Het uitbaggeren van de venen vond in het voorjaar plaats, grofweg tussen de maanden april en juli. In dit stadium was de vraag naar arbeid groot en kwamen veel seizoenarbeiders naar de veengebieden. Zij verbleven in tijdelijke woonruimtes op het veen, die ook wel veententen werden genoemd. Een veentent was een simpele hut opgebouwd uit plaatselijke materialen zoals plaggen, veen, hout en riet. Tijdens de rest van het jaar konden families die permanent in Beulake woonden aan de arbeidsvraag voldoen. Deze families werkten vaak met het hele gezin in het vervenersbedrijf (Gerding, 1995, p. 35). Uit andere voormalige verveningsgebieden weten we dat zij in zeer eenvoudige arbeidershuisjes woonden.
 
Reconstructie van het kerkdorp Beulake (gegevens en kaart auteur,
geprojecteerd op de Bonnekaart blad 253 (1900), Collectie Dienst Kadaster)
 
Sociaaleconomische ontwikkelingen
Turf en vervening worden over het algemeen onlosmakelijk verbonden gezien met erbarmelijke levensomstandigheden, armoede en drankmisbruik. Het is een potent en bijzonder hardnekkig beeld dat telkenmale opduikt zodra het begrip veen valt (Gerding, 1995, p. 34). Gerding omschrijft in deze passage zeer duidelijk de algemene beeldvorming rond verveningsgebieden. Hij stelt daarbij dat dit beeld gevormd werd in de periode na de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de oorlog was de turfproductie zo hoog mogelijk opgevoerd, maar na de oorlog stortte de sector ineen. Het beeldmateriaal van grote gezinnen voor hun erbarmelijke plaggenhutten is algemeen bekend. Of deze situatie ook in de voorgaande eeuwen van toepassing was, is moeilijk te achterhalen (Gerding, 1995, p. 35). In Beulake waren geen compagnieën actief in het veen waardoor archiefmateriaal schaars is. Veenarbeiders zijn bovendien, net als andere arbeidersgroepen, slecht vertegenwoordigd in historische bronnen.
 
Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw zijn wel belastinggegevens beschikbaar die inzicht kunnen geven in de sociaaleconomische positie van de inwoners van Beulake. In het vuurstedenregister van 1682 werd bijvoorbeeld verklaard waarom mensen niet aan de belasting voldeden.<17>
Het eerste dat daarbij opvalt is het grote aantal vuursteden dat verlaten of vervallen was. Daarnaast was een deel van de betalingsplichtigen arm of zelfs doodarm. Een van de omschrijvingen luidde als volgt: dit is een huttjen toebehorend den armen van Beulake en nog van armen luiten bewoont. <18> Een combinatie van armoede en verval kwam bovendien enkele keren voor. Het vuurstedenregister van 1710 geeft geen vermelding van vervallen vuursteden of vuursteden die niet betaald hoefden te worden vanwege armoede. Van dit register is dus slechts het aantal betaalde vuursteden bruikbaar. In het register van 1730 werden wel weer aantekeningen gemaakt. Bij enkele namen werd de ‘p’ van pauper genoteerd om aan te geven dat zij niet aan de belasting konden voldoen. Verder werden ook de vervallen vuursteden vermeld. Uit de verschillende vuurstedenregisters kunnen enkele algemene opmerkingen worden gedaan. Allereerst werd het aantal gezinnen dat betaalde voor hun vuurstede steeds groter. Daarnaast nam het aantal vervallen vuursteden aanzienlijk af en tot slot nam ook het aantal gezinnen dat vrijgesteld werd door armoede af. In de eerste helft van de 18e eeuw werden de huishoudens in Beulake dus relatief welvarender.
Bronnen uit de tweede helft van de 18e eeuw duiden op een periode van neergang in Beulake. De Leeuwte en Beulake verzochten het bestuur van Overijssel in deze periode om het hoofdgeld in redemptie te mogen ontvangen. Dit betekende dat zij zelf het verschuldigde bedrag bij elkaar wilden sparen in plaats van het te laten innen door pachters. De inwoners van de Leeuwte en Beulake werden namelijk door de pachters gequeld en geplaagd.<19>
Aan het einde van de 18e eeuw werd nogmaals verzocht om het hoofdgeld in redemptie te mogen ontvangen, omdat de Beulake van jaar tot jaar van persoonen komt te verminderen, die haar nae Vriesland als elders begeven, soo dat sij niet in staat zijn om van die het middel te kunnen krijgen, daar bij komt dat die er nog blijven de meeste magt koomen te verarmen.
<20> .Beulake raakte in deze periode dus al ontvolkt en de mensen die in Beulake bleven waren arm geworden. De positieve economische ontwikkeling die aan het begin van de 18e eeuw plaatsvond werd dus gevolgd door een periode van neergang.
 
Archeologische vondsten
Nader inzicht in de sociaaleconomische omstandigheden in Beulake bieden de archeologische vondsten die sinds de vorige eeuw worden opgedoken uit de Beulakerwijde. Het gaat om ruim 900 kilo aan voorwerpen van keramiek, glas, metaal, hout en steen. De vondsten komen voornamelijk uit de 17e en 18e eeuw en zijn onderzocht door de archeoloog Annelies Berends. Zij concludeert dat het vondstmateriaal het best gekarakteriseerd kan worden als eenvoudig, goedkoop, functioneel en homogeen (Berends, 2014, p. 75). Het is belangrijk om te begrijpen dat de voorwerpen geen statisch beeld geven van de Beulaker samenleving ten tijde van de stormen van 1775/6. Een deel van de vondsten bestaat uit afval. Vooral keramiek, de grootste vondstcategorie, kon niet hergebruikt worden en werd na een bepaalde periode weggegooid. Afval werd bovendien mogelijk functioneel gebruikt om gronden te verstevigen of de door vervening ontstane petgaten te dichten. Dit kan een vertekenend beeld geven van de vondsten in Beulake. Verder werden de meest waardevolle spullen waarschijnlijk door de bewoners van Beulake meegenomen. Veel mensen waren immers al voor de stormen vertrokken.<21> Desalniettemin geeft het grootste deel van de vondsten aan dat de mensen in Beulake goedkoop gebruiksgoed bezaten dat gedurende een lange tijd gebruikt werd. Er zijn zelfs aanwijzingen dat het gebruiksgoed tweedehands werd aangeschaft. Berends concludeert daaruit dat de inwoners van Beulake een armoedig en spaarzaam bestaan leidden (Berends, 2014, pp. 56-57, 75).
Inmiddels blijkt dat dit beeld genuanceerder ligt. Er blijken tussen de vondsten ook een klein aantal duurdere gebruiksgoederen aanwezig, namelijk enkele zilveren voorwerpen, gegraveerde tabaksdozen en Engels industrieel steengoed. Verhoudingsgewijs is dit aandeel laag, maar het geeft wel aan dat er ook welvaart in Beulake was (Berends, 2014, pp. 66, 70-71). Het zou om zondagse raad kunnen gaan of bezittingen van een predikant. Van één predikant kan het bezit redelijk in kaart gebracht worden. Predikant Waterham deed in 1719 aangifte van een diefstal in zijn huis. Daarbij werden een bed, een swarte rok, een kanusool, een swarte mantel en broek, dikke bonte dekens, brounen tabberts, mutsen en linnen alsmede twee  stukken rundvlees en een boekje met silver beslag gestolen.<22> Met name de stukken rundvlees en het boek met zilverbeslag kunnen als luxere goederen aangemerkt worden. Naast deze aangifte werd van Waterham een inboedel opgetekend na zijn dood in 1724. Uit deze boedel blijkt dat Waterham een omvangrijk grondbezit had en een huisstee en twee turfschuren met land bezat. Ook had hij een obligatie op de draaij (brug) ter waarde van 80 gulden, een koopbrief ter waarde van 315 gulden en een verzegeling op een huis in de Beulake ter waarde van 175 gulden. Tot slot had hij nog kooppenningen ten goede ter waarde van 1594 gulden. <23> Er kan dus met redelijke zekerheid gesteld worden dat predikant Waterham een welvarend man was.
 
Besluit
Uit de reconstructie van de ruimtelijke opbouw van Beulake kan geconcludeerd worden dat Beulake een lintdorp was met een relatief verspreid bewoningspatroon. Het Beulakerpad vormde de centrale weg, waarbij een verdeling werd gemaakt tussen een oost- en westeinde. De gelijkenis met het naastgelegen dorp Giethoorn is treffend. Daar werd het bewoningslint verdeeld in een noord- en zuideinde. Het kerkgebouw en waarschijnlijk ook de school fungeerden daarbij als middelpunt. De kerkfundering van Beulake is nog op een resterend eiland aanwezig en biedt mogelijkheden voor nader onderzoek. Ook de structuur die onder het wateroppervlak werd aangetroffen behoort tot deze categorie.
De bronnen, die informatie geven over de sociaaleconomische ontwikkeling van Beulake, zijn tamelijk incidenteel. Uit het schaarse materiaal dat aanwezig is, valt een relatieve bloeiperiode op te maken in de eerste helft van de 18e eeuw. Dit was tevens de periode waarin Beulaakse families ruim vijf procent van het totaal aantal turfroeden in het Land van Vollenhove aanleverden. Bronnen uit de tweede helft van de 18e eeuw duiden vervolgens op neergang. De inwoners van Beulake trokken naar andere gebieden en zij die bleven, werden armer. In deze periode raakte het zuidelijke deel van het land van Vollenhove langzamerhand uitgeveend en verplaatsten de activiteiten zich meer naar het noorden. Door de stormen van 1775 en 1776 trok ook de resterende bevolking weg. Drie jaar later overleed de dienstdoende predikant van Beulake, waarna de kerkgemeente officieel werd opgeheven. Enkele jaren later werden de preekstoel, een koperen kroonluchter en ander koperwaar uit de kerk verkocht aan de Mariakerk in Vollenhove (Helderman, 1986, p. 116). Het is goed mogelijk dat naast deze interieurstukken ook het bouwmateriaal van de kerk werd meegenomen voor hergebruik. De kerkplaats ligt immers nog op land.
Het archeologisch vondstmateriaal van Beulake bestaat tot slot voor het overgrote deel uit goedkope, langdurig gebruikte voorwerpen. Hieruit kan opgemaakt worden dat de inwoners van Beulake relatief arm waren. Het archeologische materiaal moet echter kritisch bekeken worden omdat ook afval deel uitmaakt van het opgedoken materiaal. Daarnaast hadden de
mensen die Beulake verlieten de kans om hun waardevolle spullen mee te nemen. Het kleine aandeel aan duurdere spullen geeft bovendien aan dat er wel enige vorm van welvaart in het dorp was in de vorm van zondagse raad of enkele welvarende personen. Om de leefomstandigheden van mensen in Beulake specifieker te bepalen, is informatie over hun dieet noodzakelijk. Het ontbreekt echter aan dierlijke botresten en pollenmonsters die daarvoor nodig zijn. Wellicht kunnen deze gevonden worden rond de voormalige kerkplaats van Beulake. De aanwezigheid van dit dorpscentrum biedt ruime mogelijkheden voor toekomstig onderzoek. Daarmee is Beulake een dorp dat weliswaar verdronk, maar nooit geheel verdween.
 
Linde Stokvis, Hellendoorn
 
Dit artikel stond in Kondschap dec 2023 en maart 2024, en in 2021 in het Tijdschrift voor historische geografie 6.1
 
Noten en literatuur
 
1 Linde Stokvis (1996) studeerde Landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Dit artikel is gebaseerd op haar masterscriptie over de landschapsgeschiedenis van en de omgang met het ‘verdronken’ dorp Beulake. Momenteel is zij werkzaam als vastgoedmedewerker bij Natuurmonumenten.
 
2 HCO, toegangsnr. 0244.1, inv. nr. 294.
3 HCO, toegangsnr. 0003.1, inv.nrs. 2528 en 2529.
4 HCO, toegangsnr. 0003.1, inv.nr. 2196.
5 HCO, toegangsnr. 0003.1, inv.nr. 2528
6 Veldbezoek met A. Lassche van Natuurmonumenten op 19 februari 2020
7 Mondelinge en schriftelijke mededeling naar aanleiding van nader veldbezoek door A. Lassche op 21 februari 2020.
8 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Ambt Vollenhove, Overijssel, sectie D, blad 04 (MIN04050D04).
9 HCO, toegangsnr. 1285.1, inv.nr. 28.
10 In historische bronnen wordt de Arembergergracht met veel verschillende benamingen aangeduid, waaronder de (Arembergse) grifte. Daarom wordt aangenomen dat ook in deze landopmeting de Arembergergracht werd aangeduid.
11 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Ambt Vollenhove, Overijssel, sectie D, blad 04 (MIN04050D04).
12 HCO, toegangsnr. 0270, inv.nr. 124.
13 HCO, toegangsnr. 1285, inv.nr. 134.
14 Gemeentearchief Steenwijkerland, toegangsnr. 179, inv.nr. 28A
15 HCO, toegangsnr. 0550, inv.nrs. 193-196
16 HCO, toegangsnr. 0550, inv.nrs. 193-196
17 Het vuurstedengeld was een belasting die evenredig aan het aantal vuursteden per huishouden betaald moest worden.
18 HCO, toegangsnr. 0003.1, inv. nr. 2755
19 Gemeentearchief Steenwijkerland, toegangsnr. 179, inv.nr. 384.
20 Gemeentearchief Steenwijkerland, toegangsnr. 179, inv.nr. 385.
21 Omdat de Beulake van jaar tot jaar van persoonen komt te verminderen. Gemeentearchief Steenwijkerland, toegangsnr. 179, inv.nr. 385
22 HCO, toegangsnr. 0700, inv.nr. 3861
23 HCO, toegangsnr. 0078, inv.nr. 136.

Literatuur
 
Berends, A. (2014). Verdronken dorp. Schatten uit het turfstekersdorp Beulake. Stichting Promotie Archeologie/SPA-uitgevers, Zwolle.
Derez, M. & M. Roegiers (2002). Arenberg in de Lage Landen. Een hoogadellijk huis in Vlaanderen & Nederland. Leuven.
Gerding, M.A.W. (1995). Vier eeuwen turfwinning. De verveningen in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel tussen 1550 en 1950. Wageningen (A.A.G. Bijdragen
35).
Helderman, J.C. (1986). ‘Beulake, het verdronken veendorp’. In: K. Dijkstra, J. Paasman, F. Pereboom & J. Postema (red.) (1986). Uit de geschiedenis van Brederwiede. Kampen, pp. 110-120.
Kroes, J. & T. Hol (1979). Het Land van Vollenhove. Een historisch-geografische studie van het Noordwest-Overijsselse kultuurlandschap. Zwolle.
Mensema, A.J. (1990). Vollenhoofse regesten. Het Zijlboek van de Grote Zijl (Blokzijl) (1387) 1449 (1473). Zwolle.
Mol, J.A. (2011). ‘De middeleeuwse veenontginningen in Noordwest-Overijssel en
Zuid-Friesland: datering en fasering’. In: Jaarboek Voor Middeleeuwse Geschiedenis 14, pp. 46-90.
Sijs, N. van der (samensteller) (2015 vlg.). Elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND). Instituut voor de Nederlandse Taal, http://ewnd. ivdnt.org/boeken/zoeken. Geraadpleegd 30-06-2020.
Stokvis, L. (2020). Biografie van Beulake. Een interdisciplinair onderzoek naar de landschapsgeschiedenis van en de omgang met het verdronken dorp Beulake. Groningen. https://www.rug.nl/research/kenniscentrumlandschap/mscripties/2020-
mascr-l-stokvis-beulake.pdf.
Tuin, J.D. van der (1998). Wateren en waternamen in Noordwest-Overijssel. Kampen.

Dedico ICT

Copyright © 2015. All Rights Reserved.